Menu

Afstand van beplantingen - nieuwe wetgeving sedert 1 september

Terug naar Actualiteit >
Alle regio's
Alle sectoren

Op 1 september 2021 is ‘Boek 3 Goederen’ van het nieuw Burgerlijk Wetboek (B.W.) in werking getreden. Het geheel van het goederenrecht wordt gemoderniseerd, geharmoniseerd en geordend in een overzichtelijke structuur. Zo wordt de hele problematiek van de relaties van nabuurschap (burenhinder, mandeligheid (zoals een gemeenschappelijke scheidingsmuur), afstanden, erfdienstbaarheden) samengebracht in een afzonderlijk onderdeel ‘Burenrecht’. Op die manier is ook de regelgeving rond plantafstanden en overhangende takken terechtgekomen in dit nieuwe Boek 3. Ze vervangt de oude regeling uit het Veldwetboek.

 

Oude regeling

Het blijft interessant te weten hoe de oude regeling er uitzag, die tot 31 augustus van kracht was. Die voorzag dat hoogstammige bomen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand mogen geplant worden. Is dat gebruik er niet dan mogen hoogstammige bomen slechts op 2 meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant. Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen - aan elke kant van de muur tussen twee erven - geplant worden, zonder dat een afstand in acht wordt genomen. Is die muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar het recht hem als steun voor zijn leibomen te gebruiken (artikel 35 Veldwetboek).

Nieuwe regeling vanaf 1 september

Artikel 3.133 stelt dat bomen die minstens 2 meter hoog zijn, op minimaal 2 meter van de perceelsgrens moeten geplaatst worden. Die afstand wordt gerekend vanaf het midden van de voet van de boom. Andere bomen, struiken en heggen moeten op minimaal een halve meter van de perceelsgrens worden geplaatst (art. 3.133, eerste en tweede lid B.W.).

Het vroegere onderscheid uit het Veldwetboek tussen hoogstammige en laagstammige bomen bestaat niet meer. Men spreekt ook niet meer over fruitbomen en/of leibomen. Het vroegere onderscheid wordt vervangen door een hoogtecriterium, namelijk 2 meter. Men maakt dus een objectief onderscheid in functie van de hoogte van de boom.

Een duidelijke juridische definitie van het begrip ‘boom’ wordt niet gegeven. Bovenstaande brengt mee dat alles wat hoger groeit dan 2 meter in de tweemeterzone zal moeten worden teruggesnoeid tot 2 meter (ook struiken).

Twee uitzonderingen

De wet noemt twee situaties waarin beplantingen zich op een kortere afstand tot de perceelsgrens mogen bevinden: de situatie waarin de partijen hierover een contract hebben gesloten en de situatie waarin de beplantingen al meer dan 30 jaar op dezelfde plaats staan (art. 3.133, eerste lid B.W.).

Wanneer kan men snoeien of rooien eisen?

Als de afstand van twee meter respectievelijk een halve meter niet wordt gerespecteerd, kan de eigenaar van het heersend erf - behoudens rechtsmisbruik – het snoeien of rooien van de beplantingen eisen. Bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van rechtsmisbruik houdt de rechter rekening met alle omstandigheden van het geval, inclusief het algemeen belang.

Zo kan de rechter bij zijn oordeel rekening houden met de hinder die wordt ervaren, hoelang de planten er al stonden, de meer- of minderwaarde voor de omgeving, … Nogmaals: deze regels gelden niet indien je met jouw buur een andere afspraak maakt. Je kan in onderling overleg beslissen om akkoord te gaan met een boom die te dicht bij de perceelsgrens staat. Deze regels gelden ook niet als de beplantingen al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan (verjaring).

Men kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Er wordt dus ook een uitzondering gemaakt als de afsluiting tussen de percelen hoger zou zijn dan twee meter. In dat geval mogen de bomen dezelfde hoogte hebben als deze afsluiting. Gaat het in dat geval om een niet-gemene afsluiting, dan heeft de buur nu het recht om deze als steun voor zijn beplantingen te gebruiken.

Openbaar domein

Er is geen enkele uitzondering voorzien voor het openbaar domein. Op basis van een oud Cassatie-arrest bestond hiervoor een uitzondering. Deze uitzondering is niet in de nieuwe regelgeving opgenomen. Dit betekent dat bomen op het openbare domein slechts mogen worden aangeplant op de minimale afstand van 2 meter van de rooilijn.

Wortels en overhangende takken

Artikel 3.134 voorziet dat een eigenaar van beplantingen waarvan de takken of wortels doorschieten over de perceelsgrens deze moet verwijderen binnen de 60 dagen na een ingebrekestelling per aangetekende zending van de nabuur. Doet hij/zij dit niet, dan kan de nabuur eigenmachtig, op kosten van de eigenaar van de beplantingen, deze takken of wortels wegsnijden en zich toe-eigenen. Als de nabuur de doorschietende takken of wortels zelf wegsnijdt, draagt hij zelf het risico voor de schade die hij aan de beplantingen toebrengt. Hij kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat dit rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. Het recht om de verwijdering te eisen verjaart niet.

Vruchten die op natuurlijke wijze van de bomen op een aanpalend onroerend goed vallen, behoren toe aan degene die het genot van dit laatste onroerend goed heeft. Tot eind augustus is het nog zo dat de eigenaar onder wiens perceel wortels doorschieten, deze wortels zelf mag knippen, terwijl voor het verwijderen van overhangende takken een vordering in rechte moet worden ingeleid. Vanaf 1 september kan de nabuur op wiens perceel de takken overgroeien of de wortels doorschieten, deze zelf wegsnijden. Hij draagt wel zelf het risico voor de schade die hij aan de beplanting aanbrengt. Opgelet, hiervoor dient hij eerst de eigenaar van de beplantingen in gebreke te stellen per aangetekende brief. Pas indien de eigenaar dan binnen de zestig dagen niets onderneemt, kan de nabuur zelf optreden. Het feit dat een eigenaar de takken of wortels laat doorgroeien op zijn perceel is slechts een eenvoudig gedogen dat niet kan leiden tot verjaring. Een nieuwe eigenaar, bijvoorbeeld, zou kunnen eisen dat de eigenaar die verwijdert – ook al zijn die er al meer dan dertig jaar.