Menu

Terug naar Actualiteit >Bemestingsregels voor dit najaar

Alle regio's
Alle sectoren

Met MAP 5 wil de Vlaamse overheid, samen met de land- en tuinbouwers, de waterkwaliteit verder verbeteren en de vooropgestelde doelstelling voor 2018 halen. Het is dan ook belangrijk dat land- en tuinbouwers oordeelkundig en efficiënt omspringen met hun bemesting, zodat de nutriënten niet uitspoelen. De Mestbank zet hier de regels voor het uitrijden van mest en voor mestopslag na 31 augustus op een rij.

In MAP 5 is de uitrijregeling geharmoniseerd, waardoor meststoffen die gelijkaardige eigenschappen hebben op het vlak van de stikstofvrijstelling dezelfde uitrijregeling krijgen. De meststoffen zijn opgedeeld in 3 types:

  • type 1: stalmest, champost en traagwerkende meststoffen (gecertificeerde groen- en gft-compost en meststoffen met attest);
  •  type 2: alle meststoffen die niet tot type 1 of 3 behoren;
  • type 3: kunstmest, spuistroom en effluenten.

Bemesten na 31 augustus

Land-en tuinbouwers mogen in een aantal gevallen hun percelen nog bemesten na 31 augustus als het gaat om niet-derogatiepercelen. Op derogatiepercelen mag je immers van 1 september tot en met 14 februari geen enkel type meststof opbrengen. 
Bemesten met meststoffen van type 1 (dus ook alle traagwerkende meststoffen) kan in het najaar nog tot en met 14 november. Bij toediening na 31 augustus is de maximale dosis meststoffen van dit type wel beperkt tot 50 kg werkzame N/ha. 
Tot en met 15 oktober is bemesten met meststoffen van type 2 alleen toegelaten op akkerland op zware kleigronden. Op zware kleigronden is dat overigens ook toegelaten als de hoofdteelt al geoogst werd, weliswaar op voorwaarde dat je uiterlijk binnen veertien dagen na de bemesting een nateelt inzaait. Bij toediening na 31 augustus is de maximale dosis meststoffen van type 2 beperkt tot 100 kg werkzame N/ha.
Bemesten met meststoffen van type 3 is toegelaten na 31 augustus als het gaat om meststoffen met een attest voor lage stikstofinhoud of bij bemesting van specifieke teelten en onder bepaalde voorwaarden.

  • Met een attest voor lage stikstofinhoud. Meststoffen van het type 3 met een attest voor lage stikstofinhoud mag je in de regel alleen nog toedienen na 31 augustus als er bij de opbrenging een gewas aanwezig is. Van 1 september tot en met 15 oktober mag je ze echter ook toedienen op onbeteelde grond als je binnen zeven dagen na de opbrenging een gewas inzaait. Bij de toediening na 31 augustus is de dosis beperkt tot 30 kg N/ha, waarvan maximaal 10 kg minerale N/ha. Dit najaar kan meststoffen van type 3 met een attest voor lage stikstofinhoud nog opbrengen tot en met 31 december. Van 1 januari 2016 tot en met 15 januari 2016 is het opbrengen van dit type meststoffen verboden.
  • Op specifieke teelten. Op specifieke teelten (zie hierionder) mag je nog tot en met 15 november meststoffen van type 3 opbrengen. Voor specifieke teelten andere dan fruit, is de maximale dosis beperkt tot 100 kg werkzame N/ha over de periode van 1 september tot en met 15 november. Je mag daarenboven nooit meer dan 60 kg werkzame N/ha toedienen over een periode van twee weken. Die bemesting is alleen toegestaan als ze onderbouwd wordt door een bodemstaalname, met een bijbehorend bemestingsadvies. Voor de specifieke teelt ‘fruit’ is de maximale dosis beperkt tot 40 kg werkzame N/ha over de periode van 1 september tot en met 15 november.

Specifieke teelten

Specifieke teelten zijn fruit, groenten van groep I, II of III, aardbeien, sierteelt en boomkweek, spruitkool en graszoden.De groenten worden als volgt onderverdeeld in groepen.

  • Groep I. Bloemkool, groene selderij, wittekool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanescokool, rodekool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, bladselderij of andere kolen, met uitzondering van voederkool en spruitkool.
  • Groep II. Spinazie, courgettes, sla, knolselderij, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi die geteeld worden op niet permanent overkapte landbouwgronden en andere groenten die niet onder groep I of groep III vallen en geen teelt zijn met een lage stikstofbehoefte.
  • Groep III. Wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas (met uitzondering van bladrammenas), radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden, met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum.

Opslag van meststoffen op landbouwgrond

Je mag vaste dierlijke mest of andere meststoffen tijdelijk opslaan op landbouwgrond, op voorwaarde dat je de mest op het perceel opslaat om hem daar te spreiden. De afstand van de opslag tot de perceelgrens en tot oppervlaktewater moet ten minste 10 meter zijn, waardoor bij regen de mestsappen niet buiten het perceel afvloeien. Vooral bij hellende percelen is dat een aandachtspunt, omdat je in alle omstandigheden moet voorkomen dat mestsappen afvloeien buiten het perceel, ongeacht de afstandsregel. Om geurhinder te beperken moet de afstand tot woningen van derden ten minste 100 meter zijn.
Behalve in de periode van 16 november tot en met 15 januari, mag je vaste dierlijke mest maximaal twee maanden opslaan op landbouwgrond.

Uitrijregeling wijzigt op 1 januari 2016

Tot 1 januari 2016 geldt voor focusbedrijven dezelfde uitrijregeling als voor niet-focusbedrijven. Vanaf 1 januari gaat er voor focusbedrijven een strengere uitrijregeling in, waarbij bemesting vanaf 16 februari tot en met eind februari alleen mogelijk is onder voorwaarden. Er geldt ook een strengere regeling voor bemesting na de oogst van de hoofdteelt.

Meer info

Je vindt een uitgebreid overzicht van de regels voor het uitrijden van mest op de website www.vlm.be > Doelgroepen > Land- en tuinbouwers > Mestbank > Aanwenden van mest > Uitrijregeling