Menu

Terug naar Actualiteit >Geïntegreerde gewasbescherming staat niet stil!

Alle regio's

Sinds 1 januari 2014 vraagt de Vlaamse overheid dat de producenten hun teelten gezond houden volgens de regels van de geïntegreerde gewasbescherming of Integrated Pest Management (IPM). De overheid stelt daartoe een lijst met richtlijnen op, nl. de IPM-checklijst. Deze heeft ondertussen een aantal wijzigingen ondergaan. Ziekten en plagen en hun beschikbare beheersings- en bestrijdingstechnieken evalueren nu eenmaal. Een overzicht van de voornaamste aanpassingen aan de IPM-checklijst sierteelt sinds de introductie ervan begin 2014.
 

Verplicht aanpakken van knolcyperus in vollegronds binnen- en buitenteelten

Knolcyperus vormt een toenemend probleem in Vlaanderen. De laatste decennia heeft de woekerplant zich stelselmatig verspreid over Vlaanderen en vandaag kan het probleemonkruid in praktisch alle belangrijke Vlaamse landbouwstreken teruggevonden worden. De voornaamste verspreidingsweg is via grond die door vnl. grondbewerkings- en oogstmachines van het ene perceel naar het volgende verplaatst wordt of die als aanvulgrond (bv. tarragrond van verwerkende industrie) op een perceel binnengebracht wordt. Mechanische bestrijding is weinig succesvol aangezien de plant, zoals zijn naam het zegt, overleeft en zich verspreidt door middel van de talrijke knolletjes die het op één groeiseizoen kan vormen. Chemisch zijn er enkel enkele selectieve herbiciden werkzaam en erkend in de maïsteelt. Ook producten op basis van glyfosaat en diquat kunnen succesvol ingezet worden in bepaalde omstandigheden. Preventie en hygiënemaatregelen blijven echter vooralsnog de belangrijkste aandachtspunten om een verdere verspreiding maximaal te voorkomen. Vandaar dat sinds een 2016 een aantal verplichte bestrijdings- en beheersingsmaatregelen in de IPM-checklijst opgenomen zijn voor percelen waar knolcyperus vast gesteld wordt.

Verplicht gebruik van minimum 50% driftreducerende spuittechniek/-doppen in buitenteelten

Steeds meer gewasbeschermingsmiddelen worden (her)erkend onder de voorwaarde dat er een ruimere bufferzone t.o.v. water dient gerespecteerd te worden en/of dat het middel enkel en alleen met een driftreducerende spuittechniek toegepast wordt. Er zijn dus maar weinig toepassingen meer waar met een klassieke, niet-driftreducerende spuittechniek gewerkt kan worden. Vandaar dat de Vlaamse overheid sinds begin 2017 vraagt dat alle bespuitingen in buitenteelten met minimaal 50% driftreducerende spuittechniek/-doppen uitgevoerd wordt. Door beperking van de kans op drift wordt eveneens het risico op blootstelling van omwonenden en passanten sterk gereduceerd. Het Departement Landbouw en Visserij stelt een lijst beschikbaar van alle spuitdoppen en –apparatuur die in het kader van deze IPM-maatregel als driftreducerend erkend wordt. Deze lijst is eveneens beschikbaar onder de link ‘Gewasbescherming’.

Respecteren van erosiemaatregelen op sterk erosiegevoelige percelen voor grondgebonden buitenteelten

Op percelen die in de verzamelaanvraag als (zeer) sterk erosiegevoelig aangegeven worden, dienen verplicht, naargelang de teelt, specifieke erosievermijdende of –beperkende maatregelen genomen in het kader van de randvoorwaarden. Erosie leidt niet enkel tot maatschappelijke overlast in de lager geleden gebieden maar zorgt ook voor het onherroepelijk verlies aan vruchtbare bodem en bodemdegradatie die moeilijk te herstellen is. Voor sierteelt wordt onderscheid gemaakt tussen de teelten die onder ‘zomerteelten’ vallen (bv. potchrysant) en deze die onder ‘meerjarige teelten’ (bv. boomkwekerij) vallen. De maatregelen die specifiek voor deze twee teeltgroepen gelden, vindt u terug in de Bijlage I van de IPM-checklijst.

Maatregelen nemen om puntbevuiling van oppervlaktewater met gewasbeschermingsmiddelen te vermijden

Een groot deel van de gewasbeschermingsmiddelen die in het oppervIaktewater teruggevonden worden, vinden hun oorsprong in puntbevuilingen. Dit zijn accidentele verontreinigingen bij bv. het klaar maken van de spuitoplossingen, bij het transport naar het veld, het verwerken van spuitresten en/of spoelwater, de uitwendige reiniging van de spuitapparatuur, … Maatregelen die kunnen genomen worden zijn bv. een correcte afsluiting van het mangat zodat er tijdens het transport geen spuitvloeistof uit de tank klotst. Of het klaar maken van de spuitoplossing op een onverhard terrein waarop eventueel gemorste spuitoplossing in de grond kan dringen en afgebroken worden, of op een verhard oppervlakte met opvang van alle gemorste spuitvloeistof in een aparte opslagtank en van waaruit de vloeistof verwerkt wordt via bijvoorbeeld een biofilter.

In tegenstelling tot de 3 hierboven beschreven maatregelen is deze maatregel geen major maar een minor. M.a.w. telers moeten hier niet verplicht aan voldoen, maar hebben de vrije keuze om deze maatregel op te nemen in hun pakket van 70% minormaatregelen waaraan zij met hun bedrijf dienen te voldoen.