Menu

Terug naar Actualiteit >AIPH wil duidelijke taal inzake kwekersrechten

Alle regio's

Tijdens het AIPH-congres te Padova (Italië) werd er uitgebreid van gedachten gewisseld over de recente evoluties in het internationale kwekersrecht. De discussie werd geleid door Edgar Krieger, algemeen secretaris van CIOPORA (International Community of Breeders of Asexually Reproduced Ornamental and Fruit Plants) en Mia Buma, consultant bescherming van nieuwigheden.

UPOV verdrag 1991

Het UPOV-verdrag 1991 geeft de juridische basis aan de aangesloten lidstaten om de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen in hun land te stimuleren door kwekers van deze rassen een recht van intellectuele eigendom te verschaffen: het kwekersrecht. Lidmaatschap van de UPOV vereist van de deelnemers een nationaal kwekersrechtstelsel conform het UPOV-verdrag. Dit nationaal kwekersrecht moet getoetst worden aan het UPOV-verdrag alvorens het lidmaatschap door UPOV kan aanvaard worden. België is één van de 75 UPOV-lidstaten die de wijzigingen omgezet hebben naar nationale wetgeving.

Duidelijk te onderscheiden

Een variëteit wordt als ‘onderscheidbaar’ aangeduid wanneer deze duidelijk te onderscheiden is van elke andere variëteit waarvan het bestaan een zaak van gemeenschappelijke kennis is, op het moment van indienen van de aanvraag. Binnen onze sector wordt er vaak gediscussieerd over het woord ‘onderscheiden’. Wat ook de oorsprong van de moederplanten is, kunstmatig of natuurlijk, toch moet de variëteit zich duidelijk onderscheiden door een of meer belangrijke kenmerken. Deze kunnen direct zichtbaar zijn (kleur van het blad, kleur van de bloem, snelheid van groeien, …) of minder zichtbaar zijn (resistentie, winterhardheid, …). Toegegeven, deze grens is in bepaalde soorten waarin veel veredeld wordt, soms heel vaag. Nochtans is deze wel zeer cruciaal voor het bekomen van een kwekersrecht. Veredelaars en telers maken zich zorgen over de verwarring die er bestaat tussen ‘botanisch andere variëteiten’ en ‘legaal verschillende variëteiten’. Heel duidelijk is dat het moet gaan om duidelijk onderscheidbare variëteiten.

Oplossingen zoeken voor tekortkomingen in wetgeving

Telers en veredelaars streven momenteel niet naar een radicale verandering van het systeem maar willen enkele tekortkomingen oplossen. Elke kandidaat nieuwe variëteit moet voldoende uniek en origineel zijn in vergelijking met de variëteiten die al op de markt verkrijgbaar zijn. Botanici kunnen verklaren wat het verschil is tussen twee variëteiten, maar wettelijk moet het minimale verschil of onderscheid tussen variëteiten ook te definiëren zijn.

CIOPORA en AIPH vrezen dat het verschil tussen variëteiten in sommige plantensoorten heel klein is.  Ze stellen dat de voorwaarde ‘duidelijk te onderscheiden’ moet worden beoordeeld op kenmerken die van belang zijn voor de betrokken teelt. In dit verband kunnen nieuwe belangrijke kenmerken zoals bijvoorbeeld resistentie, in aanmerking worden genomen. Verschillen in onbelangrijke kenmerken mogen niet doorslaggevend zijn om te bepalen of het een onderscheiden variëteit is of niet. Om variëteiten duidelijk te onderscheiden moet het verschil in belangrijke kenmerken voldoende groot zijn. Wat betreft de pseudo-kwalitatieve kenmerken en de kwantitatieve kenmerken, mag een verschil van slechts één waarde in het algemeen niet als voldoende brede afstand worden beschouwd.

Tot slot moet de beslissing steeds per soort worden genomen. Soorten met dezelfde waarde in de UPOV-testrichtlijn mogen voor een bepaald kenmerk niet als duidelijk te onderscheiden beschouwd worden. De mogelijkheid om te zoeken naar een verschil in een volgende groeiproef, als dergelijk verschil niet duidelijk was in het eerste goed uitgevoerde onderzoek, moet worden afgeschaft. De mogelijkheid van een random blinde test in geval van twijfel over de onderscheidbaarheid van een kandidaat ras, moet eveneens worden afgeschaft. Bij twijfel over de onderscheidbaarheid kan het kandidaat-ras niet beschouwd worden als duidelijk te onderscheiden van de referentievariëteit.