groep boomkwekers luistert naar onderzoeker

Bezoek proefvelden boomkwekerij

Het proefveldbezoek boomkwekerij, dat het Agentschap Landbouw en Zeevisserij organiseerde samen met Viaverda en de Studiekring Boomkwekerijschool Wetteren, mocht opnieuw op heel wat belangstelling rekenen. Dat ook jongere kwekers de inspanning doen en hun eigen kwekerij even loslaten om iets bij te leren is een opsteker. Heel wat van de besproken en getoonde thema’s zijn gerelateerd aan duurzaam telen.
Patrick Dieleman

De organisatoren hadden een bijzonder dankwoord voor de boomkwekers waar het evenement doorging en die ook meewerken aan allerlei proeven, met name Danny en Chantal Coppens, Erik en Pieter Dooghe, Weymeersch Boomkwekerij en Boomkwekerij De Winter Gebroeders.
 

Jochem Bonte ILVO

Cicaden

Met de klimaatopwarming rukken ook allerlei ziekten en plagen op uit het zuiden. Zowat alle leden van het groepje waar ik deel van uitmaakte hadden al te maken met cicaden. Volgens Jochem Bonte (ILVO) komt de groen cicade (Empoasca decipiens) het meest voor in de boomkwekerij. “Gelukkig is de groep waar we in de boomkwekerij het meest last van hebben niet zo goed in staat om ziekten over te brengen. Bladluizen zijn daar veel beter in.” Doordat ze plantensap opzuigen, ontstaan typische rijtjes van vlekken op bladeren, bloemen en vruchten. Normaal zijn er twee cyclussen per jaar, maar door de weersomstandigheden zouden er dit jaar drie kunnen zijn. Om vast te stellen of er cicaden in het gewas zitten, kan je met een sleepnet werken en ondertussen kloppen, of vangplaten ophangen. Specifieke bestrijdingsmiddelen bestaan er zo goed als niet, maar volgens Bonte neem je er veel mee tijdens een bladluisbestrijding. Preventief kan je de bladeren bespuiten met paraffine. Er zijn heel veel natuurlijke vijanden, maar geen specifieke sluipwesp. “Het zijn vooral generalisten zoals spinnen en onzelieveheersbeestjes waar we moeten op rekenen”, besloot Bonte.

Veenvervangers

Hanne Denaeghel van Viaverda belichtte haar onderzoek rond het verbeteren van het waterhoudend vermogen van alternatieve substraten. “Theoretisch kunnen veensubstraten zowat 50% meer water vasthouden. We hebben veenvrij substraat vergeleken met 50% veenvrij substraat, substraat met Fytocell - een sponsachtig schuimsubstraat dat veel water en zuurstof kan vasthouden, een veenvrij substraat waaraan een wetting agent was toegevoegd en ook een veenvrij substraat bovenop een gel die water kan vasthouden en vrijstellen. We konden dit jaar geen meerwaarde aantonen ten opzichte van het veenvrije substraat. Maar het was uiteraard een heel raar seizoen.”
Dirk De Geest verzorgde een toelichting namens de Belgische potgrondfederatie. Hij verwees naar de engagementsverklaring samen met AVBS, Ovam en andere instanties om te werken aan duurzame substraten. Daarin werd vooropgesteld dat in 2025 nog maximaal 65 volume% ‘classic veen’ zou gebruikt worden bij de aanmaak van teeltsubstraten. Dit was volgens De Geest nog vrij gemakkelijk te realiseren, omdat hierin ook de substraten voor de hobbymarkt worden meegerekend. “De volgende stap is 50% tegen 2030. De alternatieve grondstoffen moeten duurzaam, maar ook vlot beschikbaar zijn. Dat is gezien de effecten op de teelt en de noodzaak aan kwaliteit (RHP) een behoorlijke uitdaging.” Hij stipte ook het RPP-verhaal aan (Responsible Production of Peat). “Na het ontvenen moet het veengebied hersteld worden. We zien daarna al snel nieuwe veengroei. En we willen ook naar CO2-neutraal substraat gaan, bijvoorbeeld door biochar toe te voegen. We verwachten dat we op termijn 30 tot 50% veen gaan overhouden.” Dirk plaatste wel de kanttekening dat de vraag naar substraat wereldwijd stijgt, onder meer omdat oop substraatteelt overgeschadeld wordt wegens bodemmoeheid.
 

Isolde De Beule lichtte het Verdabi-onderzoek naar duurzame bestrijding van Verticillium dahliae toe. Deze bodemgebonden schimmel kan onder meer chrysanten, snijbloemen en verschillende boomsoorten infecteren, wat leidt tot verwelkingsziekte. De overlevingsstructuren van deze ziekte, de scleroten, kunnen meer dan tien jaar overleven in de bodem. Bovendien zijn er bij een besmetting weinig tot geen bestrijdingsmogelijkheden. “Vroeger hadden we bodemontsmetting, maar dat is verboden of praktisch niet haalbaar. Daarom bekijken we biologische ontsmettingsmethoden.” Een daarvan is biofumigatie. Daartoe worden kruisbloemigen ingezaaid. Eens ze groot genoeg zijn worden die verhakseld en ingewerkt. Isolde legde het mechanisme uit dat daarachter zit: “Kruisbloemigen bevatten zwavelverbindingen (glucosinolaten) en een enzym (myrosinase) die apart in de plantencel opgeslagen liggen. Wanneer het gewas wordt verhakseld en ingewerkt, komen deze beide stoffen met elkaar in contact. Ze vormen een gasvormig isothiocyanaat (ITC), dat remmend of dodend werkt op  allerlei schadelijke bodemschimmels, insecten en aaltjes.” Een tweede optie is het gebruik van bodemresetkorrels. Ook hier moet de bodem afgedekt worden na het uitstrooien ervan. Over de kostprijs is nog geen duidelijkheid omdat de prijs van de korrels nog niet gekend is. En ook de folie kost geld. Isolde verwees ook naar de bevraging rond Verticillium, die momenteel loopt.

Dominique Van Haecke

Organische stof in de bodem

Dominique Van Haecke van Viaverda stelde het project SoilQit voor. Dat wil telers van boomkwekerijgewassen en blauwe bessen technieken aanreiken om het gehalte aan organisch materiaal in de bodem te verhogen en op te volgen. Hiervoor testen ze drie aspecten: het toevoegen van bodemverbeterende middelen rijk aan organische stof, het verminderen van verliezen van organische stof uit de bodem door bodembewerking en het verhogen van organische stof via groenbedekkers en tussenteelten. In de proef werden onder meer mechanische onkruidbestrijding, het inzaaien van gras tussen de rijen en natuurlijke vegetatie tussen de rijen vergeleken. 

Ook aan het project Hydrosoilwise, waarvan we in S&G 7 het aspect irrigatie bespraken, is er een aspect bodemkwaliteit verbonden. Want ook de bodem heeft heel wat invloed op de watervoorziening. 

Doeltreffende gewasbescherming blijft een uitdaging in de laanboomteelt. Bomen van 4 tot 5 meter hoog met dichte kruinen zijn met klassieke axiaal- en semi-axiaalspuiten vaak moeilijk volledig te bereiken. Daardoor komt een overdaad aan spuitvloeistof op de stam en de bodem terecht in plaats van in het bladerdek, wat de bestrijding van plagen en ziekten bemoeilijkt en het risico op drift verhoogt.
Tijdens de bezoekdag aan het Demoplatform Bos- en Sierboomkwekerij in Wetteren werden de eerste resultaten van de Operationele Groep ‘Efficiënte spuittechniek in de laanbomenteelt’ voorgesteld. Binnen dit project onderzoeken Viaverda en pcfruit samen met de laanboomtelers en constructeurs hoe bestaande spuittechnieken verder geoptimaliseerd kunnen worden. Daarbij wordt gekeken naar spuitinstellingen, ventilatie en rijpatronen, afgestemd op de grote diversiteit aan teeltsystemen. 
In een eerste fase werden bestaande spuittoestellen optimaal afgesteld, waardoor verbeteringen op de meetwand en in veldtesten te zien waren. Een goede afstemming op het bedrijf en het gebruikte toestel is essentieel. Het gedeeltelijk afdekken van de luchttunnel van een axiaalspuit vergrootte het verticale spuitbereik, maar zorgde tegelijk voor meer drift. Verdere aanpassingen zijn daarom nodig. 
Daarnaast werd een semi-axiaalspuit voor hoge laanbomen (Dragone K1 type) gedemonstreerd. Dankzij twee tegengesteld draaiende ventilatoren wordt de spuitvloeistof gelijkmatig en symmetrisch verdeeld langs beide kanten van de machine. De grote belangstelling voor deze demonstratie bevestigt dat efficiëntere en nauwkeurigere bespuitingstechnieken hoog op de agenda staan in de Vlaamse laanboomteelt.
(deze alinea werd geschreven door Emma Van Loo als bijdrage voor Viaverda Actueel in S&G8)

Easy Connect

Anne Koster van Damcon demonstreerde ook het Easy Connect systeem, dat ondertussen door dertien producenten van gewasbeschermingsmiddelen in de markt gezet wordt. Voor het oppervlaktewater biedt dit als voordeel dat geen zegel van een bus op het veld blijft of in het water terechtkomt. De hoeveelheid middel die daar aanhangt kan aanleiding geven tot zware overschrijdingen van de toegelaten concentraties. En die voorkomen is het opzet van heel wat initiatieven, zoals ook het door Emma voorgestelde project en initiatieven ter voorkoming van puntvervuiling. 

Bij Easy Connect wordt de bus via een speciaal apparaat verbonden met de spuit en wordt het tijdens het vullen van de spuit bevuilde gedeelte intern gereinigd, zodat geen spat van het middel in het milieu terechtkomt. Een bijkomend voordeel is dat dit dus ook niet in contact kan komen met wie de spuitoplossing bereidt. "Alleen daarvoor al willen sommigen het systeem aanschaffen." Koster toonde de Agrotop (links op de foto hieronder), die handmatig bediend wordt, en ook een volledig automatisch werkend systeem van Tefen (rechts).